Portret: Martin van Andringa

Omgang met menschen, nabuurschap:
een sleepend zeer, een chronisch lijden;
O zegening dan van de koorts
met zieke en met gezonde tijden.
Met moeite en zichgeweldaandoen
komt er een luttel goeds tot stand,
De ongerechtigheden doet
hun eigen grondaard aan de hand.
Waar zijn, waar zijn de stroomen nu
van mildheid gul en goedertieren?
Zij leeuwetelgen? ach ik zie
hyena's slechts en lage dieren.
Hun hout geeft bij verbranden geur
van myrrhe en van olibaan,
Maar op den tand van barre nood
voelt het als flint en kiezel aan.

••

'Wat slinks verkregen
en langs omwegen
bemachtigd en genaast is, kan
zulk goed gedijen? is het dan
den ander niet een walg en staat hem tegen?'
Mijn zoon, mijn zoon, gij kent de wereld slecht,
hij heeft daar niet de minste hinder van
en verder, het is niet voor niets gezegd,
dat 'wie in het bezit is, woont in het recht.'

J.H. Leopold (1865-1925)
uit: Oostersch III


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.