Soms komt een woord ineens in de aandacht, bijvoorbeeld doordat iemand het gebruikt die erg in de belangstelling staat. Momenteel is bestaanszekerheid zo'n woord. Het wordt zozeer met Pieter Omtzigt geassocieerd dat mensen mij zelfs vragen of hij het woord misschien verzonnen heeft.
Dat heeft hij niet, maar de geschiedenis van het woord is wel een interessante. Voor samenstellingen als deze die bestaan uit allebei op zich al oer-Hollandse woorden (bestaan en zekerheid) valt eigenlijk per definitie niet te zeggen wie ze heeft 'verzonnen' of waar ze vandaan komen. Maar alle digitale bronnen wijzen erop dat het woord voor het eerst opleefde rond het jaar 1900.
De oudste vindplaatsen in de oudekrantensite Delpher.nl komt uit de krant De standaard (de Nederlandse, niet te verwarren met de nog bestaande gelijknamige Vlaamse krant). Dit is de allereerste over een stuk over een conflict tussen het (als zwak beoordeelde) Portugal en het (sterke) Engeland over een bepaald gebied in Noord-Afrika:
Bjj het tractaat van Berlijn wordt namelijk een deel der betwiste streek met name genoemd onder de landen, over wier suvereiniteit ook Engeland en Portugal zich verbonden om c. q. de bemiddeling van één of meer der andere mogendheden in te roepen. Men stond dus voor de vraag, of het volkenrecht blijken zou den zwakkeren staten nog eenigen waarborg te bieden, of wel bestaanszekerheid betwistte.
Ook het tweede citaat in het archief komt uit De standaard, en het derde citaat (uit 1898) uit een stuk van Herman Schaepman in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Mogelijk zijn deze kranten veelzeggend: De standaard was de krant van Abraham Kuyper, en dus werden deze termen kennelijk voor het eerst in druk gebruikt in kringen van emancipatoire christenen – mensen die vanuit een protestant (Kuyper) of katholiek (Schaepman) geloof opkwamen voor de rechten van verdrukten. Het is niet gek om te zeggen dat voormalig CDA'er Omtzigt in die traditie staat.
Pas na enige tijd wordt het ook door het socialistische Volksdagbla overgenomen. Hoe dan ook is het soort gebruik zoals hierboven, waar het gaat over de bestaanszekerheid van een land, zo te zien eigenlijk in dat begin al in de minderheid: meestal gaat het over de bestaanszekerheid van personen.
Wat trouwens ook opvalt: dat in al die citaten het woord wordt gebruikt alsof het doodnormaal is en geen uitleg behoeft. Nu gold natuurlijk ook al meteen dat de betekenis viel af te leiden van de delen bestaan en zekerheid. Het betekent waarschijnlijk ook dat de term al een tijdje mondeling in gebruik was.
Zoeken in de DBNL geeft een soortgelijk beeld. Het woord werd in het literaire werk dat daar verzameld is, voor het eerst gebruikt in een essay van Frederik van Eeden uit 1897. Het wordt hier heel abstract gebruikt, want het is sowieso een heel abstract opstel:
Wat ik hier 'het bestaande' of 'de dingen' noem, wordt ook wel genoemd 'de werkelijkheid, de realiteit'. Ik kies een andere term om verwarring te vermijden. Realiteit beteekent een eigenschap die wij aan het bestaande in meer of minder mate kunnen toekennen (11. a). Het bestaande kan een verschillende mate van realiteit hebben, het kan meer of minder bestaan. Het object heeft altijd meer realiteit, meer bestaanszekerheid, dan het subject.
Van Eeden was natuurlijk zowel progressief als geïnteresseerd in het christendom (hij zou zich op latere leeftijd bekeren tot het katholicisme). Ook in zijn roman Van de koele meeren des doods (waarvan in 1900 fragmenten verschenen in De Gids) komt de term voor nu in de concretere betekenis die we nu ook nog kennen:
De man was een Londensche vagebond, zooals er duizenden door de stad loopen, zonder eenige bestaanszekerheid, loerend op een kansje.
Intrigerend is ook de grafiek die we kunnen maken met behulp van Delpher over het gebruik van de term door de jaren heen:
De term komt dus eind 19e eeuw op, en begint vervolgens een gestage stijging tot ongeveer 1950 (er zit een gat tijdens de oorlogsjaren, die vooral veroorzaakt wordt doordat de kranten uit die jaren niet in Delpher doorzocht kunnen worden, en stort daarna in. Vanaf 1970 of daaromtrent lijdt het een vegeterend bestaan.
Die vage associatie met de jaren vijftig is misschien ook politiek interessant – een periode van opbouw om je aan te spiegelen als je Nieuw Sociaal Contract heet.
Ik wil niet zeggen dat Omtzigt zich bewust was die piek in de jaren vijftig of het christelijk-progressieve uit het begin. Maar het introduceren van de term bestaanszekerheid was een gelukkige toevalstreffer.
No comments:
Post a Comment