40 jaar tandeloos (11)
Klasse speelt een belangrijke rol in de eerste delen van De tandeloze tijd (en ik geloof ook in de latere). Albert Egberts is een social climber. Hij is de eerste in zijn familie die aan de universiteit gaat studeren, en dat zonder dat iemand dat op zich heel opmerkelijk lijkt te vinden.
De naam van Karl Marx valt in alle delen van de oorspronkelijke trilogie en ook nog in Advocaat van de hanen. (Maar in latere delen niet meer.)
Maar echte interesse voor Marx en zijn deterministische theorieën over de loop van de geschiedenis heeft Albert niet bepaald. Dat is meer iets voor zijn medestudenten die niet zelf uit een arbeidersmilieu komen. In De gevarendriehoek zet hij Marx op tegen een denker die hij veel interessanter lijkt te vinden (en wiens naam voorkomt in alle openbare delen van De tandeloze tijd, behalve het 'intermezzo' Weerborstels en Advocaat van de hanen):
Al dachten de studenten er zelf anders over, niet Marx was de grote zegevierende van Nijmegen, maar Freud. Wat lag er meer voor de hand dan dat die rijkeluiszoontjes aan de Katholieke Universiteit hun vader op een symbolische wijze over de kling joegen door zich op de geschriften van Karl Marx te storten?
Het laat op een onnadrukkelijke manier ook zien hoe eenzaam Albert feitelijk is. De meeste studenten zijn rijkeluiszoontjes die op een bepaald moment ook besluiten dat ze beter in de fabriek kunnen gaan werken om de revolutie te bespoedigen, terwijl Albert, dan vrijwel alleen, nog wel naar college blijft gaan.
Tegelijkertijd is Albert zelf ook niet vrij van klassebewustzijn. De manier waarop hij het meisje Marike de Swart behandelt in het laatste deel van De gevarendriehoek is stuitend, en dat komt niet alléén maar door seksisme. Nadat Milli Händel hem de bons heeft gegeven, raapt hij Marike op. Zij, een 'boerenmeisje' uit Etten Leur, is tijdens een one night stand met een kind geschopt door de aristocratische Gidi Schwantje. Albert 'redt' haar uit de situatie, door haar abortus te betalen.
Alleen al daardoor moet hij voor zijn gevoel hoger komen te staan dan zij, en hij gebruikt haar daarna als een middel om van zijn impotentie af te komen. In iets anders geïnteresseerd dan in haar lichaam is hij niet (dat komt overigens wel in latere delen). Zelf ziet ze zich trouwens ook als een 'domme boer':
Voor de vorm vroeg Albert haar een beetje uit. Gegeneerd gaf ze antwoord. 'Ik vind mezelf zo stom.' Ze kwam van het platteland, uit Etten-Leur, waar haar ouders een boerderij met mestkalveren dreven. Na het eindexamen mms in Breda was ze naar Nijmegen gekomen om een cursus voor diëtiste te volgen. Ze zat in het eerste jaar.
Haar opleiding is geen studie, maar een cursus, en elders is er ook sprake van huiswerk. Een aantal keren verwijst de verteller, in Alberts naam, naar haar als 'boerenmeisje'. Haar seksuele gedrag associeert Albert ook met haar achtergrond:
'Ik dacht… nou ja… dat jongens altijd konden… altijd, overal… dat 'm daar nou juist het probleem zat.'
Ja, dacht Albert, het is goed te merken dat je van een boerderij bent: daar hoeven ze de stier maar naar de koe te brengen, en een seconde later gebruikt hij haar als opstapje om over de velden uit te kijken… Albert had al bijna spijt van zijn geld.
Het dieptepunt komt als ze waagt om Albert te hebben gezien als hij eindelijk klaar komt in haar schoot:
'Trouwens, je bent wel een binnenvetter, zeg,' probeerde ze nog zacht verwijtend. 'Geen zuchtje kwam er over je lippen, toen het zover was…'
Binnenvetter. 'Bespaar me je plattelandstermen, alsjeblieft,' zei Albert geërgerd. 'We zijn hier niet op de boerderij.'
Albert heeft die minachting nodig: hij kan alleen van zijn impotentie afkomen door degene met wie hij het doet, niet zo belangrijk te vinden. Een boerenmeisje, die praat in 'plattelandstermen', die staat nog lager dan een fabrieksarbeider, daar hoef je geen respect voor te hebben. Dan lukt het wel.
No comments:
Post a Comment